Perspectieven, taken en doelstellingen

MARX EN DE BEWEGINGSWETTEN VAN HET KAPITALISME

LSP-PSL werkt uiteraard niet in het luchtledige. Marx had de verdienste de belangrijkste “bewegingswetten” van het kapitalisme bloot te leggen: de voortdurende concentratie van kapitaal in steeds minder handen (accumulatie van kapitaal); de neiging van de productie om de grenzen van nationale staten te overschrijden, wat onvermijdelijk leidt tot handelsconflicten en oorlogen; de neiging van de winst per eenheid kapitaal om te dalen, waardoor steeds meer behoefte aan vers kapitaal ontstaat (tendens van de winstvoet om te dalen); regelmatig terugkerende crisissen omwille van overproductie of overproductiecapaciteit (o.a. als gevolg van de uitbuiting van de arbeidersklasse, de gratis onbetaalde arbeid die we voor een deel van de werkdag verrichten voor de kapitalisten); de creatie van een toenemende laag bezitloze arbeiders die niets anders kunnen dan hun arbeidskracht verkopen om in leven te blijven (volgens de maatschappelijk geldende normen).

Concentratie van kapitaal en groei winsten

De 1% rijksten van de wereldbevolking controleren 24% van de globale rijkdom. Deze rijke kapitalisten komen nu ook uit Latijns Amerika, het Midden-Oosten en Afrika, waar recent de grootste groei van het aantal rijken werd opgetekend door de stijging van de grondstoffenprijzen. Het komt erop neer dat de sterke prijsstijgingen voor grondstoffen afgeroomd werden door een kleine groep superrijken in de neokoloniale wereld. Net zoals de groei in de “ontwikkelde” kapitalistische landen hoofdzakelijk een handvol miljardairs heeft verrijkt.

In 1960 werd de kloof tussen de rijkste 20% op wereldvlak en de armste 20% geschat op een verhouding van 30:1. Tegen 1997 was die verhouding 74:1 en tegen eind 2005 zelfs 150:1. Volgens een studie van de Universiteit van Michigan hebben de 2% rijksten in de Verenigde Staten hun vermogen sinds 1984 zowat verdubbeld, tot gemiddeld 2,1 miljoen dollar in 2005. De 1% rijksten hadden een gemiddeld inkomen van 4,9 miljoen dollar per jaar.

Het inkomen van een doorsnee Amerikaanse manager bedraagt nu 300 keer het gemiddelde loon, dat is ruim 10 keer zoveel als in de jaren 1970. Alleen al in 2007, nam het gecumuleerde inkomen van alle miljardairs over heel de wereld toe met 35%! Het kapitaal bevindt zich in steeds minder, maar - door de neoliberale superuitbuiting - steeds rijkere handen. Dat is een wereldwijd fenomeen.

In België heeft de heersende elite ook niet slecht geboerd. De 10% rijksten bezitten in ons land 50% van het totale vermogen. Het financiële vermogen van alle Belgen samen stond in 2006 op een recordniveau van 793,4 miljard euro, of zowat 80.000 euro per Belg (sparen, beleggingen, etc.). Veel arbeiders zullen zich afvragen op wiens bankrekening hun 80.000 euro dan wel staat. Op die van hun baas? Of bij de hoofdaandeelhouders van het bedrijf? Of op de rekening van de zelfbedienende burgerlijke politici, die een mandaat in de beheerraad van grote bedrijven - die ze politiek altijd goed hebben verzorgd - zelden afwijzen?

Als je naar de ontwikkeling van de winsten kijkt, is de oorsprong van deze sociale ongelijkheid niet moeilijk op te sporen. De laatste 25 à 27 jaar, ruwweg sinds het begin van het neoliberale beleid onder de regering Martens-Verhofstadt (1981), waren een ware “gold rush” voor de kapitalisten en hun medestanders. Een gold rush op de middelen die oorspronkelijk waren bedoeld voor onze sociale zekerheid (pensioenen en andere uitkeringen) en op de koopkracht van onze lonen.

In 1980 bedroegen de bedrijfswinsten in België 241 miljard Belgische frank. In 1985 was dat opgelopen tot 484 miljard BF, in 1994 tot 821 miljard BF. Voor 2005 liepen de bedrijfswinsten zelfs op tot 41 miljard euro (ongeveer 1640 miljard oude Belgische frank). Zelfs als je rekening houdt met de prijsstijgingen is de rijkdom van een kleine elite enorm gestegen.

De bedoeling achter de neoliberale politiek is duidelijk. De heersende klasse probeerde de winstvoet te herstellen tegenover de concurrentie, op een - sinds midden jaren ’70 - trager groeiende of stagnerende markt. Dit kon enkel door een omgekeerde herverdeling van de rijkdom te organiseren. De lonen (direct, of indirect via de sociale uitkeringen) die de arbeiders door strijd hadden afgedwongen, kelderden. Dit vormde de basis voor een explosieve groei van de winsten van de kapitalistische klasse. Deze superwinsten verklaren trouwens ook het fenomeen van de huizenhoge toplonen van de managers. De topmanager van een Bel-20 bedrijf steekt gemiddeld bruto maar liefst 1,5 miljoen euro per jaar op zak.

De neoliberale politiek betekende een gigantische overdracht van rijkdom van de werkende klasse naar een club van superrijken, ongekend in de geschiedenis, die met hun weelde amper nog blijf weten. Zelfs in die mate dat veel kapitalisten zich vandaag op de liefdadigheid hebben gestort. Wellicht omdat ze de maatschappij “iets terug willen geven”, van de onbetaalde arbeid die de arbeiders voor hen hebben verricht... Meer serieus: zo proberen ze opnieuw wat sociale steun op te kopen, op een moment dat graaiende kapitalisten steeds meer als een schadelijk gegeven worden gezien.

De rijken worden rijker, de arbeidersklasse wordt armer

Het gaat niet enkel om een relatieve verarming van de meerderheid, tegenover een minderheid “die geluk heeft gehad”, waarbij de meeste, of toch grote groepen, arbeiders of bedienden er ook op vooruit zouden zijn gegaan de afgelopen 25 à 30 jaar. Statistieken van de overheid zelf tonen het tegendeel aan.

Allereerst is het duidelijk dat de meeste mensen met een uitkering voor pensioen, ziekte, werkloosheid,... een absolute verarming kenden. 21% van de gepensioneerden is officieel arm. 39% van de gepensioneerden heeft een pensioen van minder dan 750 euro. De gemiddelde werkloosheidsuitkering bedroeg in 1980 nog 41,6% van het gemiddelde brutoloon, in 1999 was dat gedaald tot 27,9%. De gemiddelde invaliditeitsuitkering bedroeg in 1980 43,9% van het gemiddelde brutoloon. In 1999 was dat gezakt tot 33,3%.

Geen wonder dat de armoede, ondanks de toename van de rijkdom, in België steeds meer mensen in zijn greep heeft. Vandaag ligt die officieel op 15%, in de jaren ’80 sprak men meestal van 6%. Dit is beschamend voor een zogenaamd “welvarend” land. Het is het rechtstreeks gevolg van de aanvallen op de sociale bescherming door de neoliberale regeringen, met of zonder SP.a, PS of de Groenen.

Maar is er dan geen laag van meer welgestelde tweeverdieners die er toch op vooruit is gegaan? In de media horen we toch dikwijls dat refrein? Het feit dat je tegenwoordig met twee werkenden in een gezin moet zijn om een zekere levensstandaard te behouden, zegt al veel. In de realiteit is ook de koopkracht van de gewone loontrekkenden er fel op achteruit gegaan. De kost van het wonen of huren, bijvoorbeeld, weerspiegelt zich niet in aangepaste loonsverhogingen of indexering. De huidige “gezondheidsindex” is een karikatuur geworden van de reële stijging in prijs van veel producten. “Alles wordt duurder, maar onze lonen volgen niet,” stellen veel arbeiders terecht vast.

Al begin jaren ’80 voerde de neoliberale regering van Martens een muntontwaarding door en werd er gemorreld aan het indexmechanisme. Men ging er toen vanuit dat de reële lonen, afhankelijk van de categorie, tussen 1981 en 1985 met 13% à 21% waren gedaald. Sindsdien nam de kost van het wonen enorm toe in het gezinsbudget - soms tot 1/4 of meer van het totaal - en werden benzine, sigaretten, ... uit de index gehaald.

Er zijn weinig concrete studies over de terugval van de koopkracht van onze lonen, maar het is allicht geen overdrijving om die daling rond de 30% à 40% te situeren. Dit zou beantwoorden aan de concrete ervaring in veel gezinnen dat je niet meer één job, maar 1,5 of 2 jobs nodig hebt om een zekere levensstandaard te behouden. In 1981 maakten de lonen 59,2% van de nationale productie uit. In 2006 was dit aandeel gezakt tot onder de 50%. En nog vinden de bazen de loonkost te hoog voor hun ontembare winsthonger!

Het neoliberalisme zorgt voor een enorme toename van de werkdruk en stress, in combinatie met groeiende werkonzekerheid. Veel van deze problemen - eigenlijk maatschappelijke problemen, verbonden met het kapitalisme - komen samen in het gezin. Ze zullen het harmonieus samenleven tussen partners of ouders en hun kinderen zeker niet hebben bevorderd. Maar als er weer eens een “gezinsdrama” plaatsvindt, gooit het hele establishment de armen in de lucht. Net zoals ze weinig te zeggen hebben over het feit dat 17% van de Belgen op een of ander moment tijdens hun leven in een depressie terechtkomt. Dat de neoliberale politiek, het wegvallen van sociale zekerheid, de toenemende werkonzekerheid, ... er iets mee te maken zouden hebben? In de gevestigde media lees je daar geen woord over.

Zowel in Latijns Amerika, Afrika, het voormalige Oostblok, ... als in de ontwikkelde kapitalistische landen zorgt de economische crisis, die ontstond midden jaren ’70, voor een verarming van de bevolking. Toch houden sommige liberale ideologen vol dat de vrije markt de armoede in de wereld heeft doen dalen. Daarbij baseren ze zich op rapporten van de Verenigde Naties, die aangeven dat in Azië “honderden miljoenen boeren” uit de armoede werden getild. Maar ook bij dit Aziatische voorbeeld kan je vraagtekens plaatsen. Eigenlijk is die daling in Azië enkel gebaseerd op India en China. Maar wat India betreft: daar heeft men de meetmethode voor de statistieken aangepast in de jaren ’90. De zogenaamde daling van het aantal armen is er een zwaar betwist punt, zelfs onder “ontwikkelingseconomen” die de vrije markt niet in vraag stellen.

China is een uitzonderlijk geval. Binnen de bureaucratisch geplande economie in de jaren ‘70, onder het stalinisme, was de ontwikkeling van de landbouw op zijn grenzen gestoten. De bureaucratie in China begon hogere staatsprijzen te geven aan de boeren en voerde bepaalde marktelementen in, waardoor de productiviteit kon stijgen. Hierdoor werden veel boeren iets minder arm, en vielen ze buiten de statistieken van de VN. Maar het feit dat China voor haar economische groei fundamenteel afhankelijk blijft van de export geeft aan dat er onder de boerenmassa’s geen consumptiemarkt werd gecreëerd.

Men is officieel iets minder arm dan vroeger op het Chinese platteland. Tegelijk betekende de overgang naar meer kapitalisme een vernietiging van de “ijzeren rijstkom” op vlak van onderwijs, gezondheidszorg, levensverwachting, ... In ieder geval: als ook in China de wetten van het kapitalisme meer en meer spelen, zal dit nog duidelijker maken - voor wie het nog onduidelijk was - dat armoedebestrijding binnen dit systeem een illusie is. China heeft een sterke groei gekend, precies omdat het “de werkplaats van de wereld” is geworden. Die positie kon het enkel verwerven op basis van superuitbuiting, rechteloosheid, en condities die doen denken aan de 19e eeuw in Europa, of erger.

Samengevat: rijk worden is vandaag geen kwestie van “geluk”, noch van “superieure intelligentie”. Het betekent in de meeste gevallen dat je jezelf door je klassenpositie, als grote aandeelhouder of bedrijfseigenaar, in een positie van toeëigenaar van steeds groter wordende delen “gratis arbeid” kan manoeuvreren. Met de patronaal gezinde regeringen - die de lonen en uitkeringen helpen drukken, contracten uithollen en de resterende openbare diensten privatiseren – in de rol van neoliberale schoothondjes van het kapitaal.

Aan hun eigen loon zullen deze politici de gevolgen van het asociale afbraakbeleid immers niet voelen. De groeiende onzekerheid en het gebrek aan toekomstperspectief hebben een wijd verspreid wantrouwen in “de politiek” gecreëerd. Precies omdat het geen politiek voor de arbeiders en hun gezinnen is. Dit zorgt ook voor een grotere wisselvalligheid tijdens de verkiezingen. De heersende klasse beschikt veel minder dan vroeger, tijdens de naoorlogse economische bloeiperiode, over stabiele instrumenten om haar politiek door te voeren.

Overproductie en economische crisis

Marx legde in “Het Kapitaal” uit hoe de werkende klasse een loon krijgt dat overeenstemt met slechts een deel van de waarde die ze zelf produceert (aan goederen en diensten). De onbetaalde arbeid vormt de meerwaarde voor de kapitalisten. De kapitalisten kunnen een deel opkopen van de auto’s, wasmachines, Tv-toestellen, enz. die de arbeiders produceren tijdens het deel van de werkdag waarvoor ze geen loon krijgen. Maar niet alles. Dit leidt op een bepaald moment onvermijdelijk tot overproductie of overproductiecapaciteit.

Er is nog een andere factor die meespeelt. Onder druk van de concurrentie zijn de kapitalisten geneigd om meer en meer te gaan investeren in betere en modernere machines. Zo hopen ze de arbeidsproductiviteit op te drijven, hun prijzen te verlagen en een groter marktaandeel te verwerven. Het probleem is dat enkel de arbeidskracht meerwaarde voortbrengt. Machines worden afgeschreven over een aantal boekjaren, maar leveren op zich geen meerwaarde op. Die zit enkel in de onbetaalde arbeid van de werkende klasse. Als de meerwaarde dezelfde blijft, terwijl de kosten voor machines en technologie groeien, begint de winstvoet (de hoeveelheid winst per geïnvesteerde hoeveelheid kapitaal) te dalen.

Deze twee elementen zorgden ervoor dat de sterke naoorlogse groeiperiode tegen de jaren ’70 aan zijn einde begon te lopen. De winsten werden echter ook nog door een andere ontwikkeling ondermijnd. In de jaren 1960 tot midden jaren ’70 voerden de arbeiders in de meeste geïndustrialiseerde landen een heftige strijd rond o.a. lonen en arbeidscondities, maar vaak ook met meer verregaande eisen rond maatschappijverandering, met toppunten in de strijd als Mei ’68 in Frankrijk, de Anjerrevolutie in Portugal en de strijd tegen het kolonelsregime in Griekenland. Het patronaat en de regeringen stonden dan ook onder enorme druk om toegevingen te doen. Ook in België stegen de reële lonen gedurende vele opeenvolgende jaren. Dit zette natuurlijk de winsten van de heersende klasse verder onder druk.

Deze ontwikkelingen zorgden voor een fundamenteel keerpunt in de kapitalistische wereldeconomie. De winstvoet was ondermijnd en de economische crisis zorgde in 1974 voor een sterke stijging van de werkloosheid. Massale structurele werkloosheid zou sindsdien een permanent gegeven worden, ook al probeerden regeringen dit te verhullen door gesjoemel met de statistieken. Zoals we hierboven hebben gezien, kwam op dit moment de omslag naar een neoliberaal beleid, nadat de eerste reactie van het opnieuw pompen van geld in de economie enkel tot prijsstijgingen en inflatie had geleid.

Het probleem met de neoliberale recepten om de winstvoet te herstellen, is dat ze uiteindelijk leiden tot een ergere crisis. Je kunt wel de directe en indirecte lonen (uitkeringen voor werkloosheid, pensioen, etc.) in koopkracht laten zakken, je kan de arbeiders harder en langer laten werken voor hetzelfde of minder geld, ... maar dat verergert op termijn enkel de kloof tussen de productie en de koopkracht van de massa van de bevolking. Daarom kennen de kapitalistische economieën sinds midden jaren 1970 ook een tendens naar erger wordende crisissen. Vandaar ook de schuldenbergen die veel burgerlijke overheden sinds de jaren ’80 opbouwden om een snellere en diepere crisis voorlopig af te wenden. Vandaar de poging, vooral de laatste jaren, om arbeiders al de lonen te laten uitgeven die ze nog niet eens hebben verdiend (via schulden, hypotheken, allerlei kredieten, enz.).

Het probleem is niet dat er te weinig rijkdom is in de maatschappij. Het probleem is dat de meerderheid van de arbeiders en hun gezinnen daar steeds minder van merkt. De schuldgraad van de Belgische gezinnen steeg ondertussen, in 2005, tot een recordpeil van 43,1% van het BBP. Twintig jaar geleden was dat nog maar 28,1%. Waar in het verleden nog een belangrijke portie van het inkomen kon worden gespaard – gedurende de jaren ’80 nog vlot 20% - is ook dat in de neoliberale periode sterk afgenomen. Nochtans is dat spaargeld het enige wat veel huidige gepensioneerden uit de armoede weghoudt.

De laatste jaren merken we dat de kapitalisten zelfs minder zijn gaan investeren in nieuwe machines en technologie om de productiviteit op te drijven. Waar zouden ze op een ondermijnde markt al die producten immers nog kwijt moeten? Ze proberen door saneringen fondsen bij de grote aandeelhouders te verwerven of te behouden, of gaan leningen aan bij banken, in een strategie van fusies en overnames. “Groter worden” door andere bedrijven op te kopen, om er vervolgens met minder mensen meer winst te maken. Jan Marijnissen, van de Nederlandse SP, noemde dit gepast het “roofdierkapitalisme”. Jammer genoeg denkt hij als reformistische politicus wel dat je dat “roofdier” kan temmen…

Het grotere belang van de beurzen en financiële speculatie is een uitdrukking van verval van het kapitalisme dat wegens haar tendens naar overproductie minder in reële productie investeert. Het aandeel in de winsten van zuiver financiële instellingen groeide in de VS, bijvoorbeeld, van 10 à 15% in de jaren 1950 en ‘60, naar 30 à 40% vandaag.

Marx voerde in zijn tijd een felle polemiek tegen de zogenaamde “utopische” socialisten en de anarchisten die weliswaar fulmineerden tegen de uitwendige verschijnselen van het kapitalisme, maar zich niet de moeite namen om het kapitalisme grondig te analyseren, om te zien welke tegengestelde krachten binnen dat kapitalisme aan het werk waren.

Hij ageerde tegen diegenen die pleiten voor “socialistische” eilandjes binnen een kapitalistische omgeving, zoals zelfbeheerde “socialistische” bedrijven, coöperatieven en/of zelfbeheerde socialistische of anarchistische communes. Hij wees er integendeel op dat het kapitalisme zijn eigen doodgravers voortbrengt door de creatie van een steeds toenemende groep bezitloze arbeiders, die bovendien samengebracht werden binnen grote productie-eenheden.

De burgerij heeft sinds het ontstaan van de crisis, midden jaren ’70 de industrie aanzienlijk afgebouwd. In België probeerde men die trend deels op te vangen door de creatie van meer jobs in de dienstensector. Maar ook deze arbeiders, in de call centers en de vele KMO’s, hebben moeten inleveren op hun lonen en werkomstandigheden. Het zou een fundamenteel strijdpunt moeten zijn voor de vakbonden om ook in de KMO’s een vakbondsvertegenwoordiging georganiseerd te krijgen. Dat niet doen, zou de burgerij toelaten om onze strijd te verzwakken. Bovendien drijft het de ongeorganiseerde delen van onze klasse in de richting van individuele schijnoplossingen en maakt het hen gevoelig voor de stortvloed aan rechtse propaganda tegen stakingen.

Kapitalistische concurrentie... of wereldsocialisme?

Toen Marx in 1848 het Communistisch Manifest schreef, was de klasse van loonarbeiders op het Europese vasteland nog geen meerderheid in de maatschappij. Het briljante van het Communistisch Manifest is dat het de algemene trend van de kapitalistische productiewijze wist in te schatten. Het kapitaal was in zijn drang om te accumuleren en meer winst te scheppen dan de concurrentie gedoemd om de wereld te omspannen.

Kijk naar de situatie vandaag. In september 2007 kondigde Janssen Pharmaceutica het ontslag aan van 688 van haar werknemers. Daaronder ook 194 hoog opgeleide onderzoekers van het bedrijf. Een vakbondsvertegenwoordiger van het socialistische BBTK merkte op in de pers: “Janssen Pharmaceutica maakte vorig jaar 250 miljoen euro winst. Zijn al deze ontslagen noodzakelijk? Of wil Johnson & Johnson (het moederbedrijf) voor elke pion die hier sneuvelt een onderzoeker aanwerven in India?”

In 2006 besliste die andere Belgische gigant, de brouwerij Inbev, om een deel van haar administratie te delokaliseren naar het goedkopere Tsjechië en Hongarije. Het jaar voordien maakte Inbev voor meer dan een miljard euro winst. Grote bedrijven zijn vandaag “wereldwijde spelers”, die overal ter wereld naar de meest winstgevende productie op zoek zijn. Grote delen van de neokoloniale wereld zijn daarvoor te instabiel door de zeer lage levensstandaard en corrupte overheidsstructuren. Maar gelukkig voor de kapitalistische heersers van de planeet zijn er nog de nieuwe lidstaten van de EU, India en China, waar de resten van de stalinistische bureaucratie een oogje in het zeil houden.

Delokalisatie toont pijnlijk aan hoezeer de kapitalistische productiesystemen sinds de tijd van Marx en het Communistisch Manifest op wereldvlak met elkaar vervlochten zijn geraakt. Tegelijk kan je geen beter argument voor de nood van internationale organisatie van de arbeiders aanbrengen. LSP en haar Internationale zetten - zoals al eerder aangetoond - een traditie voort van internationale solidariteit. Wat is anders de norm? Die van de lonen en arbeidscondities in Polen? Of die in China? Arbeiders moeten zich verzetten en zich organiseren tegen deze race naar de bodem.

De behoeften van de arbeidersklasse botsen met de dictatuur van de grote aandeelhouders. Veel winst is voor deze club niet goed genoeg. Winstgevendheid is relatief. Misschien doet de concurrentie het nog beter? En dalen de aandelen in waarde? “Besparen” luidt, binnen dit concurrentieel systeem, dan de boodschap. Niet alleen industriearbeiders, ook bedienden en hoger opgeleide onderzoekers kunnen vandaag het slachtoffer worden van deze waanzinnige “logica” van het kapitalisme.

Zoals Marx al aangaf, doorbreekt de kapitalistische markt de landsgrenzen. Dit leidt tot handelsspanningen en soms ook tot oorlog. Door de potentiële sterkte van de arbeidersbeweging in Europa en de VS gelukkig nog niet tussen de geïndustrialiseerde landen. Maar wel al tegenover de neokoloniale wereld.

Kijk naar de interventie van Bush in Irak. Zelfs Greenspan, gewezen topman van de Amerikaanse centrale bank, geeft nu toe dat het motief voor de oorlog in Irak “hoofdzakelijk de bescherming van de olietoevoer” was. De enige “moraliteit” van het kapitaal is haar winstcijfer. De “strijd voor democratie” is voor het imperialisme slechts een façade, waarachter de bankcijfers van de grote bedrijven schuilgaan. Enkel de arbeidersbeweging heeft belang bij het behoud en de uitbreiding van democratische rechten.

Een sluimerend handelsconflict is er ook tussen de VS en China, dat goedkope producten invoert in de VS. Verschillende Latijns Amerikaans landen proberen onderlinge handelsakkoorden te sluiten om de invloed van het imperialisme, onder meer van de VS, wat tegen te werken. In Europa hebben de nationale burgerijen de onderlinge concurrentie proberen te beperken door de invoering van de euro en de creatie van een Europese Centrale Bank. Een fundamentele crisis van het systeem, samen met een revolterende arbeidersbeweging, zal de zwakste nationale burgerijen echter naar de uitgang drijven. Op termijn zal dit de eurozone en de Europese Unie doen opbreken, met enkel een harde kern die overblijft. De kapitalistische productie streeft naar het overstijgen van de grenzen, maar botst steeds weer op het keurslijf van de natiestaat. Het private bezit van de productiemiddelen en de natiestaat zijn verouderde maatschappelijke vormen. Ze moeten worden vervangen door een democratisch geplande economie en wereldsocialisme.

DE MEERDERHEID VAN DE ARBEIDERSKLASSE EN DE VOORHOEDE

Het is uit de hierboven geïllustreerde “bewegingswetten” dat Marx de noodzaak afleidt van een socialistische maatschappij. Een harmonieuze maatschappij van producenten en consumenten, waarin de productie niet in functie staat van de winst van enkelen, maar van de behoeften van allen.

De enige klasse die dat zou kunnen realiseren, gezien haar rol in de productie, was volgens Marx de arbeidersklasse. Vandaar zijn strategie om te proberen de meerderheid van de arbeiders te winnen voor een socialistisch programma. In tegenstelling tot de anarchisten - met Bakoenin als belangrijkste vertegenwoordiger in die tijd - die de arbeiders o.a. via terreurdaden “een geweten wilden schoppen”, dacht Marx dat enkel een bewuste meerderheid van de arbeidersklasse in staat zou zijn om een socialistische omvorming van de maatschappij door te voeren.

Terrorisme, hebben socialisten van Marx tot Trotsky steeds uitgelegd, is het wapen van de wanhopige kleinburger of de ongeorganiseerde lompenproletariër. Deze elementen vertrouwen niet op de beweging van de massa van de bevolking. Ze proberen als kleine minderheid de maatschappelijke ontwikkeling te forceren. Een socialistische revolutie kan echter alleen maar slagen als ze gesteund wordt door de meerderheid van de bevolking: de werkende klasse.

Tussen het vaststellen van wat objectief noodzakelijk is - het winnen van de meerderheid van de arbeidersklasse voor een socialistisch programma - en het effectief bereiken van dat doel liggen uiteraard talloze hindernissen. Niet alle arbeiders leggen evenveel initiatief aan de dag. Zowel binnen de arbeidersbeweging als onder jongeren zijn individuen actief, van wie het initiatief bepalend is voor de reactie van bredere groepen van arbeiders en jongeren. Het is vooral deze “voorhoede” die in een eerste periode van radicalisering gewonnen kan worden voor een socialistisch programma. Via haar kunnen later ook de bredere lagen bereikt en gewonnen worden. Met andere woorden: een revolutionair socialistische partij zal zich in de eerste plaats richten naar de voorhoede, het meest actieve en bewuste deel van de arbeiders en jongeren, om via haar de bredere lagen te bereiken. Het is daarin zeer belangrijk om die voorhoede niet te isoleren van de brede lagen door een ultralinks programma, maar haar een overgangsprogramma te bieden waarmee ze de discussie met de brede lagen kan aangaan.

Onder het stalinisme werd deze strategische optie van Marx en Lenin totaal misvormd om de belangen van de bureaucratie te dienen. Door het isolement van de revolutie in een industrieel en cultureel achtergebleven land, het Rusland van 1917, kon een oude laag van carrièristen de communistische partij binnendringen.

Het ging om die laag die wel kon lezen en schrijven, onder het tsarisme dikwijls al functionaris was geweest, maar natuurlijk zelf de revolutie niet had gemaakt (en er meestal tegen was). Onder Stalin vormde deze sociale groep de Communistische Partij om tot een instrument voor haar eigen bureaucratische belangen. Alle elementen van arbeidersdemocratie die nog overbleven, werden met de grond gelijk gemaakt.

Voor de bureaucratie was het niet langer nodig om de voorhoede te winnen. Integendeel, de stalinisten riepen zichzelf uit tot “voorhoede” en hun partij tot “voorhoedepartij”. Die elitaire benadering heeft de idee van het winnen van de meer bewuste lagen onder arbeiders en jongeren ernstig gediscrediteerd. De stalinisten hebben gebroken met de strategie die Marx voorstelde. Ze hebben zijn ideeën misvormd om hun eigen bureaucratische doelen te dienen.

PERSPECTIEVEN ALS LEIDRAAD TOT ACTIE

Marx heeft uiteraard slechts de algemene bewegingswetten en de belangrijkste strategische taken blootgelegd. Die algemene bewegingswetten en de strijd tussen arbeid en kapitaal verlopen echter niet in een rechte lijn. Er zijn momenten van vooruitgang en momenten van terugval.

Voor een revolutionaire organisatie komt het er niet enkel op aan de algemene beweging op langere termijn te bestuderen, maar ook te zien hoe zaken zich op korte en middellange termijn zullen ontwikkelen. Het is op basis van een dergelijke analyse dat we de concrete tactieken en taken voor vandaag en morgen kunnen afleiden.

Laat ons een meer vertrouwde vergelijking nemen. Op basis van het aantal potentiële toeschouwers en de financiële reserves kunnen we afleiden dat een voetbalploeg in een groter en rijker land meer kans maakt op een goede uitslag in de competitie dan een landelijke ploeg met relatief weinig inkomsten uit toeschouwersaantallen en publiciteit. We zouden dat als algemene “bewegingswet” kunnen beschouwen.

Het team dat enkel uitgaat van die algemene bewegingswet en voorts op haar lauweren rust, zal echter niet ver geraken, hoe veelbelovend de toekomst ook mag zijn. Daarvoor is het nodig dat de ploeg ook beseft waar ze vandaag voor staat. Speelt dat team tegen een offensieve ploeg, dan zal het een ander spel moeten hanteren dan tegen een defensief ingestelde ploeg. Het team zal met andere woorden ook op korte termijn, voor de eerstvolgende match, het spel van de tegenspeler moeten inschatten en op basis daarvan een tactiek moeten bepalen om als winnaar uit de wedstrijd te komen.

De idee dat het volgend jaar enkele betere spelers zal kunnen aankopen, verandert niets aan het resultaat van vandaag. Bovendien zal een nederlaag ook een effect hebben op het aantal toeschouwers en de publiciteit in de toekomst. Met andere woorden: een goede voetbalploeg heeft niet enkel een strategie nodig op lange termijn, maar zal ook tactisch het spel van de tegenspeler op korte termijn moeten inschatten. Zoniet zouden de gunstige toekomstperspectieven wel eens vlug kunnen omslaan in hun tegendeel.

Voor een revolutionaire organisatie is het eveneens belangrijk om de krachtsverhoudingen op een juiste manier in te schatten, de ontwikkelingen ook op korte termijn te analyseren en op basis daarvan een tactische benadering uit te werken. Het inschatten van het spel van de tegenstrever in een voetbalwedstrijd is uiteraard slechts een grove benadering, de tegenspeler kan eveneens proberen onze ploeg te verrassen door een andere speelmethode te hanteren. Op dezelfde manier zijn perspectieven voor een revolutionaire organisatie geen blauwdruk voor de toekomst, geen exacte voorspellingen, maar slechts een poging om de ontwikkelingen op korte en middellange termijn zo goed mogelijk in te schatten opdat we onze tactieken en doelstellingen daaraan systematisch kunnen aanpassen. De oprichting van Blokbuster, bijvoorbeeld, gebeurde reeds enkele maanden voor de doorbraak van het Vlaams Blok in de verkiezingen van 1991. We vertrokken van het perspectief dat, ondanks de toenmalige economische groei, een aanzienlijk deel van de bevolking in de grote steden uit de boot viel. Het was waarschijnlijk dat een overwinning van het Vlaams Blok een radicalisering bij een laag van jongeren zou uitlokken. Op basis van die correcte perspectieven legden de voorlopers van LSP de fundamenten voor de uitbouw van de revolutionaire organisatie doorheen deze strijd, en voor een antifascistische traditie die nog altijd in brede kringen wordt gerespecteerd.

PERSPECTIEVEN EN TACTIEKEN

In de jaren 1970 en het begin van de jaren ‘80 heerste er een breed socialistisch bewustzijn onder een belangrijke laag van arbeiders en jongeren. De idee dat er een alternatief bestond op het kapitalisme, zelfs als men niet honderd procent duidelijk was over hoe dat alternatief er juist moest uitzien, werd onder een grote groep van arbeiders en jongeren aanvaard. In die periode kwam het er voor marxisten vooral op aan om hun specifieke inzichten over socialisme te confronteren met die van de sociaaldemocratische hervormers en de stalinisten.

De val van de stalinistische regimes en het proces van verrechtsing of zelfs verburgerlijking binnen de sociaaldemocratie hebben dat “socialistisch” bewustzijn ondermijnd. Vandaag beperkt de rol van marxisten zich er niet toe om hun standpunten te verdedigen tegenover die van de sociaaldemocratische leiding en wat overblijft van de stalinisten. Onze taak is ook om de algemene idee van socialisme opnieuw ingang te doen vinden.

Vandaar het tactische pleidooi van LSP voor een nieuwe, van de burgerij onafhankelijke, massale arbeiderspartij waarin alle groepen of individuen die zich verzetten tegen de neoliberale besparingspolitiek welkom zijn. Onze oproep voor een nieuwe arbeiderspartij dateert al van in 1995. De leden van LSP waren dan ook voorbereid op initiatieven zoals ROOD!, die mogelijk in de richting gaan van zo’n nieuwe arbeiderspartij. Wij zijn ervan overtuigd dat enkel een afgerond socialistisch programma, van geplande economie en arbeidersdemocratie, een oplossing kan bieden voor de dagelijkse problemen van jobs, werkdruk, dalende koopkracht, woningnood, duurder onderwijs, milieuvervuiling, e,z. Maar we willen met bredere lagen van arbeiders daarover op een open manier, zonder ultimatums te stellen zoals de ultralinkse groepen, in discussie gaan.

Tegelijk denken we dat een nieuwe arbeiderspartij niet als belangrijkste taak of voorwaarde heeft om alle bestaande radicaal-linkse groepen te verenigen. Niet elk van die stromingen heeft dezelfde strategische visie op de uitbouw van een links alternatief, of dezelfde oriëntatie op bredere lagen van de arbeiders, laat staan dezelfde open methodes om tot een nieuwe formatie te komen. De eerste taak van initiatieven die in de richting willen gaan van een nieuwe arbeiderspartij, zoals ROOD!, is het winnen van frisse lagen van arbeiders en jongeren doorheen campagnes op de werkvloer, aan de piketten, in de wijken, in de scholen en universiteiten. Hoeveel meer al bestaande linkse stromingen op een constructieve manier aan een dergelijk project willen deelnemen, hoe beter natuurlijk volgens LSP. Maar volgens ons bestaat er een fundamenteel verschil tussen “linkse herschikking” en de oprichting van een brede arbeiderspartij.

Voor LSP zijn nieuwe, brede arbeiderspartijen een belangrijk instrument om opnieuw een basisorganisatie te hebben, vakbondsstrijd een stem op het nationale en politieke terrein te geven, strijdbare arbeiders en jongeren samen te brengen die voordien geïsoleerd stonden, het bewustzijn aan te scherpen over de rol van het kapitalisme, en de discussie aan te gaan over een democratische, socialistische maatschappij.

Maar ook brede arbeiderspartijen zijn, zo zien we vandaag al internationaal, niet immuun voor de ideologische en materiële druk van de burgerij. In Italië trad de Rifundazione Communista (PRC) toe tot de neoliberale regering van de “centrumlinkse” Prodi. De PRC was een afsplitsing van de oude, stalinistische Communistische Partij. Ze nam een meer open standpunt in en bewaarde afstand tegenover de dictaturen in het voormalige Oostblok. De PRC had in de jaren ’90 al tienduizenden leden en kon dikwijls op eigen kracht een massa volk op de been brengen.

De leiding van deze partij hield echter vast aan het kapitalisme. Gezien de crisis van dit systeem zijn er echter zo goed als geen marges meer om nog blijvende sociale verbeteringen af te dwingen. Nieuwe arbeiderspartijen komen veel sneller voor deze keuze te staan: vasthouden aan de vrije markt, en neoliberale besparingen aanvaarden, of breken met dit systeem en gaan voor een socialistische omvorming van de maatschappij. Met andere woorden: reformisme of revolutie. Jammer genoeg koos de PRC-leiding voor haar parlementaire postjes en carrière. Een diepe crisis in de partij was het gevolg, waarbij de rechtervleugel voorlopig moest inbinden. Vandaag is het onduidelijk of de PRC het diskrediet van haar passage in de regering zal kunnen rechtzetten of niet.

De SP in Nederland, ook met verschillende tienduizenden leden op papier, propageert op haar beurt een antineoliberaal gedachtegoed. Daarmee vormde ze een alternatief op de sociaaldemocratische, maar neoliberaal geworden PVDA. Maar ook binnen de SP zijn er jammer genoeg gelijkaardige processen bezig als bij de Italiaanse RC. De leiding van de SP liet in het verleden de mogelijkheid open van coalities met het openlijk rechtse CDA (als het iets meer “sociaal” zou worden). De SP zit lokaal ook in coalities die privatiseringen doorvoerden. Intern is er veel ongenoegen over het gebrek aan partijdemocratie, waar de oude maoïstische methodes - gekoppeld aan het hedendaagse “parlementarisme” - van de SP-leiding een belangrijke rol in spelen. Ondertussen is binnen de SP een heksenjacht op en de uitsluiting van de meest linkse elementen begonnen. Volgens LSP is er een verband tussen de organisatorische vorm en het politieke programma. Een partij werkt echt democratisch als ze de belangen van de arbeiders wil verdedigen, niet die van een partijelite die mikt op parlementaire posten.

Die Linke in Duitsland, met Oskar Lafontaine, behaalt in de opiniepeilingen soms tot 15%. Dit bevestigt het vacuüm ter linkerzijde. Het feit dat Lafontaine net als Chavez in Venezuela verwijst naar “het socialisme in de 21e eeuw” is zeer positief. Ook de verdediging van stakingen en algemene stakingen vormt een belangrijke stap vooruit. Die Linke kan een nieuwe generatie beginnen te organiseren tegen de neoliberale afbraakpolitiek. Maar het alternatief van Die Linke blijft jammer genoeg beperkt. Het programma van de partij pleit voor een soort “gemengd kapitalisme”, met een grotere rol voor de overheid, in plaats van de nationalisering van sleutelsectoren van de economie onder controle van de arbeiders. Tegelijkertijd wordt Die Linke door de deelname aan het neoliberale bestuur in Berlijn in diskrediet gebracht, onder meer via de 1 euro-jobs. De partij dreigt mee verantwoordelijk te worden gesteld voor asociale maatregelen.

Volgens LSP/PSL kan je enkel aan een lokaal bestuur deelnemen op basis van een socialistische meerderheid. Door de strijd te voeren en de bevolking op straat te brengen voor meer financiële middelen van de centrale regering. Om zo een behoeftenbudget uit te kunnen werken, dat een belangrijke en zichtbare breuk vormt met het neoliberale beleid. Zoals onze kameraden in Liverpool in de jaren ‘80, als marxistische linkervleugel binnen de Labour Party, hadden gedaan. Tegelijk zou dit moeten worden gekoppeld aan de idee dat een fundamentele verandering enkel kan door nationaal en internationaal de macht van de grote bedrijven te breken en arbeidersdemocratie in te stellen.

LSP ziet voor revolutionaire socialisten dus een dubbele taak weggelegd. Het opkomen voor de idee van een nieuwe arbeiderspartij, vastberaden helpen bij de oprichting daarvan, om zo de algemene ideeën van strijd en socialisme weer te vestigen. Maar tegelijk ook de uitbouw van onze eigen revolutionaire stroming om een afgerond revolutionair programma voor te stellen en samen met andere socialisten de invloed van bureaucraten en carrièristen - en hun rechtse ideeën en methodes - te bestrijden binnen een nieuwe partij. Zeker in het geval van electoraal succes, dreigen dit soort lagen een nieuwe arbeiderspartij niet in de eerste plaats te zien als een instrument om de maatschappij te veranderen, maar om zelf in het parlement te raken en een postje te bemachtigen.

Een nieuwe arbeiderspartij heeft belang bij een sterke marxistische linkervleugel, om fundamentele zaken als interne democratie en een echt socialistisch programma - of toch belangrijke elementen daarvan - zoveel mogelijk kracht bij te zetten. Op basis van discussie en opgedane ervaring binnen een nieuwe massapartij hopen we op termijn een meerderheid, ook binnen de maatschappij, te kunnen overtuigen van ons revolutionair-socialistische programma.

PERSPECTIEVEN EN DOELSTELLINGEN

HET uitwerken van perspectieven, strategieën en tactieken is één zaak. Het is echter waardeloos als we daaraan geen concrete taken en doelstellingen koppelen. Net zoals een trainer van een voetbalploeg binnen het kader van de gezamenlijk bepaalde strategie en tactiek nagaat hoe iedere speler daaraan individueel, op basis van zijn kwaliteiten en zwaktes, kan bijdragen, net op dezelfde manier moet een revolutionair socialistische organisatie ernaar streven eenieders kwaliteiten maximaal in te zetten en diens zwakheden te overwinnen.

We moeten geen taken en doelstellingen vooropstellen - bijvoorbeeld voor de verkoop van het blad, het ophalen van financiële steun of het winnen van nieuwe leden - die hoedanook met de beschikbare mensen onhaalbaar zijn. We moeten hen integendeel motiveren om een doelstelling te behalen die binnen hun bereik ligt. Wat we doen, doen we beter goed, zonder al te veel hooi op onze vork te nemen. Het stellen van doelstellingen op ieder niveau en tenslotte voor ieder persoonlijk zorgt ervoor dat we de beschikbare kwaliteiten maximaal kunnen inzetten.